Bin Laden bracht vrede even binnen bereik

In de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme leek vrede tussen Israël en de Palestijnen even heel belangrijk. Maar het moment is weer voorbij.

Temidden van het bloedvergieten van de afgelopen dagen en de wederzijdse verwensingen is het bijna onvoorstelbaar: maar na 11 september heeft het er even naar uitgezien dat een regeling zou kunnen worden bereikt voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Een tussentijdse regeling, zeker niet een definitieve vrede die een algehele pacificatie van het Midden-Oosten naderbij zou brengen, maar ten minste toch een beëindiging van het onderlinge geweld. Zoals de geallieerde Golfoorlog van 1991 tegen Irak via een internationale vredesconferentie twee jaar later leidde tot het autonomie-akkoord van Oslo tussen Israël en de Palestijnen.

Na de aan moslim-extremist Osama bin Laden toegeschreven aanslagen van 11 september in New York en Washington werd het een direct Amerikaans belang dat de Israëlisch-Palestijnse gewelddadigheden, inmiddels bijna een jaar oud en escalerend, zouden worden opgeschort. Washington had dringend behoefte aan Arabische (islamitische) medewerking aan zijn campagne tegen het terrorisme van Bin Laden om aan te tonen dat het niet de islam was die werd aangevallen.

De beoogde Arabische partners waren het er wel over eens dat het moslim-extremisme diende te worden bestreden - zelf waren zij immers als door het westen gesteunde ‘pseudomoslims’ ook doelwit van de scherpslijper Bin Laden. Maar met één oog op hun pro-Palestijnse binnenlandse publieke opinie voegden zij eraan toe dat er ook een einde diende te komen aan het ,Israëlisch terrorisme’’. Voor de Arabische leiders was ‘11 september’ een goede gelegenheid om het optreden van Israël tegen de Palestijnen als terrorisme aan de kaak te stellen.

De Israëlische premier, Ariel Sharon, had juist gedacht van ‘11 september’ te kunnen profiteren om de Palestijnse opstand neer te slaan. Hij betitelde de Palestijnse leider Yasser Arafat bij herhaling publiekelijk als ,onze eigen Bin Laden’’. Sharon wilde de Amerikaanse campagne tegen het terrorisme uitbreiden tot de Palestijnse groepen die zich aan geweld tegen Israël schuldig maakten. Daarom schrok Arafat zo van de aanslagen in de VS dat hij voor de televisiecamera’s bloed gaf voor de slachtoffers. Hij vreesde in die eerste dagen na 11 september dat Sharon van de gelegenheid gebruik zou maken om de Palestijnse opstand met grof geweld neer te slaan, met de zegen van de Amerikanen. Daarom ook maakte de Palestijnse politie op zeer harde wijze een einde aan Palestijns feestvertoon over Bin Ladens acties.

De situatie rond Osama bin Laden en de Afghaanse Talibaan die hem bescherming boden bleef geruime tijd zeer ongewis. Zou het de Amerikanen wel lukken een stevige coalitie tegen hen op te bouwen? In veel Arabische landen gingen demonstranten de straat op voor Bin Laden en tegen de VS, en (na het begin van de Amerikaanse aanvallen op Afghanistan op 7 oktober) voor het arme, belaagde islamitische volk van Afghanistan. Zouden de Arabische leiders aan de druk van hun publiek weerstand willen bieden?

Onder die omstandigheden kozen de Amerikanen tegen Sharon: zij dwongen hem - tot zijn publieke woede - zich zoveel mogelijk te matigen in zijn militaire reactie op Palestijns geweld. Ook lieten ze uitlekken dat er in consultatie met Arabische landen gewerkt werd aan een vredesplan. Het zag ernaar uit dat de regering-Bush, die zich sinds haar aantreden afzijdig had gehouden van het Israëlisch-Palestijnse conflict - en zo volgens veel waarnemers aan het uit de hand lopen van het conflict had meegewerkt - uiteindelijk tussenbeide zou komen en de partijen een regeling zou opleggen.

De oorlog in Afghanistan liep echter aanzienlijk voorspoediger dan verwacht en de steun onder moslims voor Bin Laden bleef beperkt tot woorden. In videoboodschappen die via de Arabische televisiezender Al-Jazira werden verspreid riep Bin Laden de islamieten op om massaal op te staan en mee te vechten in zijn jihad, heilige oorlog, tegen de Amerikanen. Maar de islamieten luisterden niet. Zij voerden aan voor hun gezin te moeten zorgen of een studie te moeten afronden, en bleven thuis. Hun steun voor Bin Laden gold niet zozeer zijn ideeën over een perfecte islamitische staat, maar vormde eerder een protest tegen hun eigen, veelal door de VS gesteunde regimes.

En zo verliep het moment voor een regeling tussen Israël en de Palestijnen. De noodzaak daarvan werd in Washington als minder dwingend aangevoeld. Tegelijkertijd zette het Amerikaanse Congres, waar traditioneel aanzienlijke steun bestaat voor Israël, de regering onder zware druk om niet aan de Palestijnen toe te geven. Het resultaat van een en ander was dat minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell op 19 november in zijn lang verwachte aankondiging van het Amerikaanse vredesinitiatief in feite niets aankondigde. Amerika wil een ,levensvatbare Palestijnse staat’’ gebaseerd op de principes van resoluties 242 en 336 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ,geworteld in het concept van land voor vrede’’, zei hij. Maar dat was bekend. En hoe die ‘levensvatbare Palestijnse staat’ moest worden bereikt, waar het uiteindelijk om gaat, dat gaf hij niet aan.

Hoe goed het sindsdien met de Amerikaanse oorlog tegen Bin Ladens terrorisme gaat, blijkt overduidelijk uit de huidige houding van president Bush ten opzichte van wat premier Sharon omschrijft als de Israëlische oorlog tegen Yasser Arafats terrorisme. Riepen de Amerikaanse autoriteiten tot dusverre Israël steevast op tot zelfbeheersing na bloedige Palestijnse aanslagen, na de zelfmoordaanslagen van 1 en 2 december (waarbij 26 burgers de dood vonden) lieten zij dat opvallend na. Integendeel, het Witte Huis verklaarde dat Israël als soevereine natie alle recht had zichzelf te verdedigen. De Israëlische liquidatiepolitiek jegens Palestijnen die door Jeruzalem van terrorisme worden beschuldigd stuit niet meer op Amerikaanse veroordelingen.

De VS hebben bovendien hun oorlog tegen terreur voor het eerst uitgebreid tot de Palestijnen: president Bush gaf vorige week opdracht tot bevriezing van de tegoeden van drie islamitische financiële organisaties die de zelfmoordterreur van de Palestijnse moslim-fundamentalistische beweging Hamas zouden financieren. Bush brandmerkte Hamas voorts als ,een van de dodelijkste terreurorganisaties in de wereld van vandaag’’ - waar blijven de Amerikaanse bombardementen? vroeg de Israëlische pers zich meteen af.

Arafat, die volgens de regering van premier Sharon eindverantwoordelijke is voor alle terreur omdat hij er niet tegen optreedt, wordt in Washington nèt nog getolereerd. Van rechtse zijde in zowel Israël als de VS wordt opgeroepen hem te wippen, maar niemand weet wat er na hem komt. De Arabische leiders die het Palestijnse geweld als gerechtvaardigd verzet tegen bezetting bestempelen vinden in Washington nu geen gehoor meer.

Het Israëlisch-Palestijnse conflict is de afgelopen tien dagen hoog opgelaaid. Zelfmoordaanslag volgt liquidatie volgt aanslag volgt helikopteraanval. Een einde is nog niet in zicht.

13 december 2001
geschreven door:Carolien Roelants

bron:nrc handelsblad